De zinsbouw in het Nederlands: basisregels / La syntaxe en néerlandais: régles de base

DE ZIN / LA PHRASE

 

0 Pôles

 

PV = persoonsvorm (verbe conjugué)

VR = verbale rest (reste verbal)

 

Structure de la phrase néerlandaise

 

AANLOOP1SPV = V12SVR = V23SUITLOOP
 eerste stuk tweede stuk derde stuk 

 

 

1 Ce qui peut se trouver dans le 1S et qui ne peut pas s’y trouver

 

SUJET (dans le 1S)

Nom, pronom, infinitif, infinitif complément, proposition subordonnée

 

1SV12SV23S
Een trommelaariseen rare man.
Ikbeneen fluitspeler.
Willeniskunnen.
Veel beloven en weinig gevendoetgekken in vreugdeleven.
Wie niet sterk is,moetslimzijn.

 

 

GROUPE NOMINAL (dans le 1S)

 

1SV12SV23S
Die ventmoetikzien. 

 

 

GROUPE PREPOSITIONNEL (dans le 1S)

 

1SV12SV23S
Zoals alle anderengaanze naar de bioscoop .

 

 

PRONOM (COI) (dans le 1S)

 

1SV12SV23S
Hémgeefik niets.

 

 

PROPOSITION SUBORDONNEE (autre que sujet) (dans le 1S)

 

1SV12SV23S
Dat hij komt,wilik niet.

 

 

CONSTRUCTIONS avec OM … TE + INF. (dans le 1S)

 

1SV12SV23S
Om er zeker van te zijn,   

 

 

PARTIES DE PHRASES INTERROGATIVES (dans le 1S)

 

 

1SV12SV23S
Wiekomtmorgen ?
Wathebjegedaan ?

 

NB Jamais de complément, … avant la partie interrogative.

 

*Om zo vlug te komen, wathebjegedaan?
Watom zo vlug te komen?

 

 

PROPOSITION INCISE (= tussenzin) (dans le 1S)

 

1SV12SV23S
Morgenvertrekkenwe, zei hij.
Morgen, zei hij,

 

 

JAMAIS dans le 1S

 

– proposition subordonnée de conséquence

 

1SV12SV23S
* Zodat hij te laat kwam,overliephij zich.

 

– pronoms personnel et réfléchi non accentués

 

1SV12SV23S
*Jekenik niet.
Jou
*Zichkenthij niet.
Zichzelf
*Hetweetik niet.
Dat    

 

 

DANS LE 1S avec ACCENTUATION

 

1 COD : pronom indéfini

 

1SV12SV23S
Iétsweetik wel.

 

2 COD : proposition subordonnée introduite par DAT :

 

1SV12SV23S
Dát ze komen,weetik wel.

 

3 ATTRIBUT : adjectif (attribut du sujet)

 

1SV12SV23S
Lúiishij.
Merkwaardigisdat, …

 

4 INFINITIF, PARTICIPE PASSE : (souvent avec ‘allerminst, niet, nooit, soms, wel’) (le plus souvent : un accent d’opposition)

 

1SV12SV23S
Tróuwenwilhij niet.
Pratenkanhij niet.
*Geredenheefthij gisteren .(pas d’opposition)
Beslotenwerd,twee dagen te staken .

 

5 ATTRIBUT du COD : (le plus souvent : accent d’opposition)

 

1SV12SV23S
Gróenvervenwe die deur.(en niet wit)

 

6 PARTICULE SEPARABLE

 

Ik kom niet, hoor, maar

 

1SV12SV23S
 óverhouik ook niets.(= garder qch)

 

7 PARTIE NON VERBALE d’une expression verbale (style administratif)

 

1SV12SV23S
In aanmerkingkomenalle studenten, die …

 

8 WEL en NIET

 

Aan staken werd niet gedacht.

 

1SV12SV23S
Wélwaser sprake van een protestbrief.
Níetwordtvermeld,dat …

 

2 AANLOOP: ce qui s’y trouve

 

1 Interjection

 

1S

V1

2S

V2

3S

 

Zo!

Dat

was

je bedoeling!

 

 

 

2 Nom de la personne à qui l’on s’adresse

 

1S

V1

2S

V2

3S

1S

Dames en heren,

we

verontschuldigen

ons …

 

 

Zeg eens Jan,

je

wordt

vervelend,

 

// hoor !

 

3 Mot ou groupe de mots = réponse à une communication

                                                             une question de jugement

 

Ik ga vanavond naar de bioscoop.

 

1S

V1

2S

V2

3S

Nee,

je

mag

niet!

 

 

Standard heeft van Lokeren gewonnen.

 

1S

V1

2S

V2

3S

Echt ?

Dat

doet

me plezier.

 

 

4 Certains adverbes

 

  1. a) Le plus souvent dans l’AANLOOP :

BOVENDIEN

DAARENBOVEN

IMMERS

INTEGENDEEL

OVERIGENS

TEN ANDERE

TROUWENS

Nu is zijn auto beschadigd en

bovendien,

hij

krijgt

nog een boete.

 

Hij zegt verwarde dingen.

Overigens,

ik

luister

niet naar hem.

 

 

  1. b) Aussi souvent dans l’AANLOOP que dans le 1S : DUS, ZO DUS

 

Dus,

hij

komt.

 

= Dus komt hij.

 

  1. c) Le plus souvent dans le 1S :

EVENWEL

NIETTEMIN

NOCHTANS

TOCH

 

Toch

komt

hij.

 

 

NB Tous ces adverbes peuvent se trouver dans le 2S.

 

5 Eléments anticipatifs (= (groupes de) mots qui, dans la phrase, sont le plus souvent répétés par un mot)

 

Die kerel,

die

zal

ik slaan !

 

Wat mij betreft,

ik

vertrek.

 

 

 

(– Wat mij betreft, mag hij vertrekken.)

 

Een dergelijk voorstel,

daar

ga

ik niet op

in !

Als je het probeert,

dan

zal

het je

spijten !

Als jij het niet doet,

wie

zal

het dan

doen?

 

6 Les adverbes

 

KORTOM, OM KORT TE GAAN, KORT GEZEGD,

MET EEN WOORD, IN EN WOORD,

NOG EENS

(utilisés pour résumer ce qui précède)

 

  1. KORTOM : toujours AANLOOP

 

Kortom,

we

hebben

ons

verveeld.

 

  1. Les autres adverbes : le plus souvent : AANLOOP

 

Kort gezegd,

we

hebben

ons

verveeeld.

 

(– Kort gezegd hebben we ons verveeld.)

 

Met een woord,

ik

kan

het niet

zeggen. (F bref)

 

(– Met woord kan ik het niet zeggen.) (F en un mot)

 

Nog eens,

hij

wil

het niet

zeggen.

 

(– Nog eens wil hij het niet zeggen.) (adverbe d’intensité: ‘encore une fois’)

 

 

NE SE TROUVENT NI DANS L’AANLOOP NI DANS LE 1S

 

Conjonctions de coordination

 

Je mag meegaan

OF

je mag thuisblijven.

Je moet meegaan

OFWEL

je moet thuisblijven.

moet je thuisblijven.

 

 

3 SUPPRESSION DU 1S OU DU VR/PV

 

Quand une partie porte sur 2 phrases,

                                            2 parties de phrase.

1S = — : Vandaag moeten wij kaas kopen en (-) mogen zij naar het café.

PV = –: Jan moet naar huis en Piet (-) naar school.

VR = –: Jan moet naar huis gaan en Piet ((-)) naar school (-).

 

(*) Na de middag gingen ze naar huis en bleven ze de hele avond praten.

4 Ce qui se trouve dans le 2S

 

Les éléments de phrase qui sont nécessaires doivent se trouver le plus près possible du VR

 

Les éléments qui forment une étroite UNITE DE SENS avec le VR

 

  • Attribut (l’adjectif attribut)

 

  1. a) Avec les verbes COPULES :

blijven

dunken

heten

lijken

schijnen

worden

zijn

 

1S

V1

2S

V2

Die man

is

zijn leven lang  een sukkelaar

geweest.

*

 

een sukkelaar zijn leven lang

 

Hij

is

een week  ziek

 

*

 

ziek een week

 

 

  1. b) parfois: ATTRIBUT + complément nécessaire

 

Hij

moet

met honderd euro tevreden

zijn.

 

*

 

tevreden met honderd euro

 

 

(OK) Met 100 euro

moet

hij tevreden

zijn.

 

Hij

moet

tevreden

 

met 100 €.

(OK) Hij

was

ruw

tegen mij.

 

NB tevreden zijn met: se contenter de

 

1) Attribut du sujet / COD

  1. a) Attribut du COD:

 

Die bedorven sardientjes

hebben

hem ziek

gemaakt.

Die reis

maakte

ons moe

-.

Hij

verfde

de deur groen

-.

Ze

hebben

hem ziek

gebracht.

 

  1. Attribut du SUJET :

 

Hij

wordt

door iedereen als verstandig

beschouwd.

Hij

staat

bij iedereen als een leugenaar

bekend.

Jan

is

gisteren moe thuis

gekomen.

 

 

 

 

 

Conclusion: attribut du sujet / COD: le plus près possible du VR.

 

NB La plupart de ces attributs (introduits par une préposition) peuvent se trouver dans le 3S.

 

De beheerraad

heeft

hem

benoemd

tot directeur.

Ik

heb

hem

beschouwd

als een geschikte kerel.

 

3) Particule séparable (toujours immédiatement avant le VR)

 

4) Complément de direction (près d’un verbe de mouvement)

 

  1. a) Avec ZIJN : s’il y a un déplacement avec une direct ion, le complément de direction se place immédiatement avant le VR (*3S / parfois 1S).

 

Hij

ging

gisteren naar Rome.

-.

 

* Hij

is

gisteren

gegaan

naar Rome.

(OK) Hij

is

gisteren naar Rome

gegaan.

 

Hij

bracht

de auto naar Leuven

-.

 

 

NB zijn + lopen, reizen, rennen, springen, zwemmen, …

 

  1. b) D’autres compléments de direction:

Avec

DOEN

HANGEN

LEGGEN

PLAATSEN

STOPPEN

ZETTEN,

le complément de direction se place immédiatement avant le VR.

 

 

Leg

op de tafel.

-.

 

 

5) Complément de lieu (près d’un verbe de repos)

 

Avec BLIJVEN, ZITTEN, LIGGEN, …

N+

* Ze

heeft

in bed twee uur

moeten staan.

N+

(OK) Ze

heeft

twee uur in bed

moeten staan.

N-

 

Heb

je al een uur op zo’n stoel

 

N-

 

Heb

op zo’n stoel een uur

gezeten?

 

6) Complément de mesure (près d’un verbe / d’une expression exprimant le résultat d’une mesure) (distance, durée)

 

Si le complément est nécessaire : le plus près possible du VR.

 

De vergadering

heeft

gisteren twee uur

geduurd.

 

*

 

twee uur gisteren

 

 

 

NB Souvent, une indication de mesure se trouve près du verbe copule et de l’adjectif attribut :

ORDRE DES MOTS : INDICATION DE MESURE + ATTRIBUT + VERBE

 

Die tafel

is

95 cm breed.

-.

 

Dat huis

zal

na verbouwing 9 m hoog

zijn.

 

* Dat huis

zal

9 m na verbouwing hoog

zijn.

 

* Dat huis

zal

9 m hoog na verbouwing

zijn.

 

 

7) Complément de manière (s’il est N+ : le plus près poss. du VR)

 

Hij

heeft

het helemaal nog goed

opgevat.

 

Hij

heeft

hem op een onbehoorlijke manier

behandeld.

 

 

NB Si le complément est introduit pa rune préposition, possib.: dans le 3S.

 

Hij

heeft

hem

behandeld

ope en onbehoorlijke manier.

 

8) PARTIE NON VERBALE d’une expression verbale (immédiatement avant la VR)

 

Ze

hebben

hun kamer in orde

gebracht.

 

 

9) SUJET (dans le 2 S)

 

10) PRONOM PERSONNEL : immédiatement après le PV :

Gisteren

heb

ik hem dat gegeven.

 

 

11) PRONOM DEMONSTRATIF: ‘splitsing’ ou non

Dat

heeft

die me toch

me die

gezegd.

 

12) SUBSTANTIF : (le plus souvent) immédiatement après le PV :

 

  1. a) ‘Splitsing’ : possible ou souhaitable

(1) PV + COI (pronom sans prép.) + SUJET :

 

Wat

leek

hem dat werk moeilijk!

dat werk hem

hem dat

 

Vanmorgen

schenen

die jongen alle vraagstukken makkelijk.

 

Dat

zei

me die kleine vriendelijke jongen.

 

Dat

vertelde

ons de bediende die dronken was.

 

 

(2) PRONOM REFLECHI:

 

– avant un sujet indéfini:

 

Daar

bewogen

zich 2 mensen.

 

Opnieuw

deed

zich een incident

voor.

In de kamer

bevonden

zich 3 Engelsen.

 

 

– avant un long sujet:

 

Hoe

gedroegen

zich de kinderen van de buren ?

 

 

Hoe

gedroegen

zich de kinderen die gek zijn?.

 

 

Hoe

gedroegen

de kinderen zich

 

die gek zijn?

Hoe

hebben

de kinderen zich

gedragen?

 

Hoe

hebben

de kinderen die gek zijn, zich

gedragen?

 

 

 

  1. b) Avant le VR: SUJET INDEFINI:

(1) Construction avec ER + … + sujet indéfini :

dans ce cas : dans le 2S :

SUJET INDEFINI + les éléments qui viennent immédiatement avant le VR + VR

 

Er

worden

nu   veel perziken

geplukt.

Er

rijden

na 10 uur geen treinen meer naar Tienen.

 

Er

staat

 nu zeker een gids op ons

te wachten.

 

NB: 1S (complément de lieu) + PV + geen ‘er’

 

In de omgeving van Sint-Truiden

worden

— nu veel perziken

gekweekt.

 

(2) Expressions verbales au PASSIF:

 

A Op de kermis

maken

de kinderen altijd veel pret.

 

P Op de kermis

wordt

door de kindren altijd veel pret

gemaakt.

 

13) COD (dans le 2S)

 

Ordre habituel des éléments sans préposition dans le 2S :

P D S (= pronom personnel + démonstratif + substantif)

 

Eléments P(ersonnel) et D(émonstratif) :

le plus près possible du PV :

 

  1. COD : Pronom personnel  (P) : Toujours après le SUJET PRONOMINAL :

 

Gisteren

heb

ik hem in de stad

ontmoet.

In de schaduw

bewogen

zich twee vreemde gestalten.

 

Wat

hebben

zich in de schaduw twee vreemde gestalten

bewogen.

Wat

heeft

hem dat

geïnteresseerd!

 

  1. b) COD: pronom démonstratif (D): toujours après le SUJET NOMINAL / PRONOMINAL:

Gisteren

heeft

hij         dat

verteld.

Gisteren

heeft

hij me dat

verteld.

Gisteren

heeft

Jan me dat

verteld.

 

  1. COD: substantif (S): toujours après le sujet:

 

Gisteren

heb

ik een vriend

ontmoet.

Gisteren

heeft

Jan een vriend

ontmoet.

 

NB: Dans le 2S:

  • le sujet défini : déplacement libre :

 

Ik

heb

gisteren mijn vriend

ontmoet.

Ik

heb

mijn vriend gisteren

ontmoet.

 

– le sujet indéfini: le plus souvent: le plus près possible du VR:

Ik

heb

*een vriend gisteren

ontmoet.

(OK) Ik

heb

gisteren een vriend

ontmoet.

 

14) COD et COI (dans le 2S)

 

  1. a) COI sans préposition (cf P/D/S) (= 3 catégories)

 

  • Catégories différentes : COI + COD :

 

Ik

heb

die een boek

gegeven.

 

 

hem vandaag een boek

 

 

 

hem de mijne vandaag

 

 

 

hem gisteren een boek kado

 

 

(2 Catégories semblables:

 

– 2 pronoms personnels : COD + COI :

 

Hij

heeft

het me gisteren

gezegd.

 

– 2 pronoms démonstratifs: COI + COD:

 

 

Geef

die dat !

 

 

– 2 substantifs: COI + COD:

 

 

Schenk

nooit die man je vertrouwen.

 

 

 

die man nooit je vertrouwen.

 

Hij

heeft

steeds iedereen gelijke kansen

gegeven.

 

 

iedereen steeds gelijke kansen

 

 

 

*iederren gelijke kansen steeds

 

 

 

  1. COI avec préposition

 

(1) COI = pronom personnel / démonstratif : le plus souvent SANS prép. :

     (aan : peut être supprimé ; voor : le plus souvent conservé)

 

Ik

heb

het aan hem

gezegd.

 

 

het hem

 

 

 

dat voor hem

 

 

  • COI = substantif: le plus souvent AVEC préposition:

 

Je

moet

aan Jan alle inlichtingen

geven.

Je

moet

aan iedereen alle inlichtingen

geven.

Je

hebt

enkele inlichtingen aan Jan

gegeven.

 

NB: Dans le 3S:

 

Je

moet

alle inlichtingen

geven

aan Jan.

 

Le COD indéfini PEUT se mettre avant le COI avec préposition.

 

Hij

heeft

aan Jan een mooi kado

gegeven.

 

 

een mooi kado aan Jan

 

 

  1. COI / COD et les autres compléments (dans le 2S)

 

Ordre général : P + D + S

 

  • Pronom personnel : toujours AVANT les autres parties de la phrase dans le 2S :

 

Mijn zoon

schrijft

me bijna elke week.

 

Daarom

schrijft

mijn zoon me bijna elke week.

 

Hij

zal

zich gisteren waarschijnlijk wel weer

vergist hebben.

Dan

zal

hij zich …

 

 

(2) Pronom démonstratif: APRES le(s) pronom(s) personnel(s),

                                          AVANT les autres parties de la phrase :

 

Heeft

hij je dat verleden week al niet

gevraagd?

 

(3) Substantif:

– COD/COI: subst. définis : se déplacent facilement dans le 2S (souvent : près du PV)

Hij

heeft

Jan gisteren een brief

geschreven.

 

 

gisteren Jan een brief

 

Ze

hebben

elkaar       verleden week     na 2 jaar ruzie       weer de hand

gedrukt.

 

 

verleden week           elkaar na 2 jaar ruzie       weer de hand

 

 

 

verleden week       na 2 jaarruzie  elkaar           weer de hand

 

 

 

*verleden week na 2 jaar ruzie        weer de hand elkaar

 

15) complément prépositionnel (se déplace facilement)

 

= partie de phrase cliée au verbe par une PREPOSITION FIXE

  1. :

geloven AAN : = dat het bestaat : Geloof AAn de UFO’s.

geloven IN:      = iets als waar aannemen;

                            op de heilzame invloed ervan vertrouwen: Geloof IN God.

 

denken AAN: = voor de geest hebben, niet vergeten

denken OVER: = nadenken

denken OM: = niet vergeten

 

ex.:

 

Hij

heeft

steeds interesse voor die zaak

voor die zaak steeds interesse

getoond.

Ik

heb

steeds vertouwen in hem

in hem steeds vertrouwen

gesteld.

 

 

NB dans le 3S:

 

Hij

heeft

steeds interesse

getoond

voor die zaak.

 

 

16) COMPLEMENT DE TEMPS ET DE LIEU

(si nécessaire, alors AVANT le VR)

 

Ordre normal des compléments N- : T_M_P (tijd, manier, plaats)

 

Complément de temps (normalement avant les autres compléments)

 

Ik

ga

tijdens de vakantie vaak met mijn kinderen in het bos

wandelen.

We

vertrekken

morgen met de klas twee dagen naar Nederland.

 

We

hebben

verleden week met zijn tweeën die tentoonstelling

die tentoonstelling verleden week met zijn tweeën

verleden week die tentoonstelling met zijn tweeën

bezocht.

 

Complément de lieu (normalement après les autres compléments)

 

 

17) COMPLEMENT DE MANIERE

 

exemples :

Hij

heeft

die deur makkelijk op slot

gedaan.

 

 

makkelijk die deur op slot

 

 

Heb

je makkelijk een oplossing

kunnen vinden?

 

 

*je een oplossing makkelijk

 

 

 

18) NIET / GEEN

 

CE QUI SUIT LA NEGATION EST NIE:

  1. a) NIET + verbe

                 expression verbale

                 UNITES de SENS

 

  1. b) GEEN = un article et une négation : nie des groupes SUBST. INDEFINIS (een, -, …)

 

  1. c) exemples :

NIET

Ik

heb

die bediende  NIET

gezien.

 

 

zijn vrouw   NIET

Jan

ontmoet.

 

ken

die jongen  NIET .

 

 

heb

die jongen  NIET

gekend.

                                    (Ik weet dat ik die jongen niet ken.)

Jan

is

daar NIET ziek

geweest.

Waarom

bracht

je de boeken NIET

terug?

 

 

 

 

Jan

is

 NIET op school

geweest.

Dat

is

NIET heel goed.

NIET voor Jan

NIET van Jan

NIET in de kast

 

Hij

is

verleden week NIET

een jaar lang NIET

in elk geval NIET

natuurlijk NIET

weer NIET

ook NIET

(dan) toch NIET

gekomen.

 

 

hier   NIET vaak

                    altijd

                    genoeg

 

Hij

is

nog NIET groot.

                 sterk

                 in de tuin

                 op school

 

 

 

GEEN:

 

Ze

heeft

gisteren GEEN jurk

                         boter

                         melk

gekocht.

 

Ik

heb

GEEN drie frank.

            acht briefjes.

 

Het

is

GEEN zes uur.

            halfzeven.

 

 

 

NB Avec des ADJECTIFS NUMERAUX: GEEN.

 

Er

is

nog GEEN brood.

                   suiker.

 

 

zijn

nog GEEN bonen.

                   doperwten.

 

 

 

  1. GEEN … MEER / NIET (…) MEER

 

GEEN … MEER :

 

Zij

hebben

GEEN perziken MEER.

            appels

 

 

NIET MEER :

 

Zij

hebben

die goeie boontjes NIET MEER.

hun peterselie

 

 

NIET … MEER :

 

Die peren

zijn

NIET zacht MEER.

          goedkoop

 

 

19) NOOIT

 

Hij

gaat

nooit onmiddelijk naar huis.

 

Ik

verkoop

nooit mijn huis.

 

!!! Hij

is

nooit meer ziek.

 

 

 

20) Autres adverbes de mode (cf niet)

 

Hij

is

misschien ziek.

 

Ik

moet

wel drie boeken

kopen.

Ik

moet

3 boeken wel

kopen.

 

 

(OK si on sous-entend : en de andere WEL gratis)

 

 

Heb

je AL een nieuwe auto

gekocht?

 

Heeft

hij zijn  huis AL

verkocht?

Hij

is

AL groot.

     sterk.

     in de tuin.

     op school.

 

 

 

21)) ER (dans le 2 S)

 

Sortes

  • adverbe de lieu
  • adverbe qui introduit une construction avec ER
  • pronom indéfini
  • partie d’un adverbe pronominal

 

Ik

heb

er iemand

ontmoet.

Er

staat

niets op het bord.

 

Er

zijn

genoeg appels (construction avec er)

 

Iedereen

krijgt

er twee. (pronom)

 

 

Heeft

hij er nog iets over

gezegd?

 

 

Dans le 2S

 

  1. Construction avec er: toujours immédiatement après le PV

 

Gisteren

is

er alweer een ongeluk

gebeurd.

Op het bord

stond

– gisteren niet veel

.

 

NB ER > – : 2 conditions : 1S : un complément de lieu

                                            2S : sujet : pas après le PV

 

  1. b) Autres cas

ER : immédiatement APRES le sujet

                                                le PV (si le sujet : dans le 1S)

        APRES het

        APRES ou AVANT les autres pronoms personnels sans prép. :

                       

Gisteren

heb

ik er met mijn vriend

gesproken.

Ik

heb

er …

 

(Haal dat uit de kast.)

 

 

 

Ik

heb

het er al

uitgehaald.

Je

moet

hem er nog eens aan

er hem

herinneren.

 

Hij

heeft

zich er nooit om

er zich

bekommerd.

 

 

 

22) ADVERBE PRONOMINAL

 

‘Splitsing’

Tous les adverbes pronominaux peuvent être séparés.

 

Exemples

1) ER + … + PREP., avant le VR

                                             les éléments N+ placés avant le VR.

 

Jan

kijkt

er alle dag in.

 

Hij

is

er een hele tijd ziek van

geweest.

 

  • Si ER + prép. = un complément du nom, il se place APRES ce nom.

We

zullen

de behandeling ervan tot morgen

 

er de behandeling van tot morgen

uitstellen.

* We

zullen

er de behandeling tot morgen van

 

Ib

heb

het belang ervan nooit

 

er het belang van nooit

ervaren.

 

5 de verbale rest, de VR (le reste verbal)

 

1 Plusieurs parties dans le VR: (cf remarques)

– une suite d’ »infinitifs :   Je zou  dat niet hebben kunnen doen.

– participe passé et inf.   :       Zou hij niet  hebben gewerkt ?

                                                                    gewerkt hebben?

 

2 Double infinitif + te + infinitif

  1. a) infinitif direct = inf. sans te

kunnen, moeten, mogen, willen

 

= verbes de mode

 

doen,laten

 

komen, gaan

 

= direction

 

horen, voelen, zien

 

= perception

 

leren, helpen, blijven

 

!! durven + (te+) infinitf : Durf jij dat (te) doen ?

 

Hij kan    niet   vertrekken.

Ze  heeft  niet  durven vertrekken.

 

NB Aux temps composés: 2 INFINITIFS.

 

  1. b) TE + INFINITIF

Ik hoop ø morgen terug te komen.

 

1)  V avec un TE qu’on peut omettre aux temps composés

                             qu’on ne peut omettre au présent

hangen

liggen

lopen                 + (te+) : = V de repos

staan

zitten

 

Hij heeft dar een hele tijd  staan (te) babbelen.

 

2) V toujours avec TE + INF.

  1. a) seulement le double infinitif :

WETEN + TE + inf. : = erin slagen, de kans zien

KOMEN + TE +         = venir à

HOEVEN +TE +        = (+ maar, …): n’avoir qu’à

ZIEN + TE +              = proberen te + inf.

DIENEN,

BEHOREN,

HOREN + TE +          = moeten

 

 

Weet

je de boter

 

te staan? (= waar de boter staat.

Hij

wist

 

 

te ontsnappen.

Hij

heeft

altijd

weten

te ontsnappen.

Door een toeval

was

ze naast me

komen

te zitten. (= Il se fit qu’elle était assise à côté de moi.)

Als hij

kwam

 

 

te overlijden.

Dat

had

je niet

hoeven

te doen .

 

!! Hij is weggegaan om de vaat niet te hoeven doen.

 

Je

moet

dat

zien

te krijgen.

Dat

behoor

je

 

te weten.

 

  1. b) 2 constructions possibles: phrase infinitive ou double infinitif

 

BEGINNEN, POGEN, PROBEREN, TRACHTEN, VERGETEN, WENSEN, WEIGEREN

 

Hij

heeft

 

getracht

zijn vriend te overtuigen.

 

 

zijn vriend

trachten

te overtuigen.

Hij

heeft

zijn vriend iets

vergeten

te kopen.

De politie vermoedt dat de inbreker

 

 

geprobeerd heeft

(om) de deur te forceren.

 

 

de deur

heeft

proberen te forceren.

 

5.1.7 Ce qui se trouve dans le 3S

 

  • Proposition subordonnée de temps, de condition, de conséquence, de comparaison

 

Hij

doet

 

 

alsof zijn neus bloedt. (= als hij de aandacht op iets anders trekt.)

Het

heeft

de hele dag

geregend

zodat we niet in de tuin konden werken.

Het

was

al donker

 

toen we thuis kwamen.

We

gaan

er niet heen

 

als ze er niet mee akkoord gaat.

 

  • Proposition infinitive avec te:

 

– sans autre préposition:

 

Het

is

niet mogelijk

 

(om) dat te begrijpen.

 

NB Dans ce cas, OM (≠ but), donc N-.

Dans le cas suivant, OM (= but), donc N+.

 

Het

is

te laat

 

om te vertrekken.

 

Dans le 1S :

 

Om te vertrekken,

is

het te laat.

 

 

*(Om) dat te begrijpen,

 

 

 

 

 

– avec une autre prép. : OM TE, ZONDER TE, ALVORENS TE

 

 

  • compléments avec préposition:

 

compl. prépositionnel

 

Hij

heeft

interesse

gehad

voor …

compl. de lieu / de mouvement

Hij

heeft

de auto i.d.g.

gewassen

 

 

 

 de auto

 

in de garage.

 

compl. de temps / de durée

 

Ik

ga

naar Antwerpen

in augustus.

 

autres compl.

 

Ik

ben

naar Antwerpen

geweest

met mijn broer.

 

4

) Quelques compléments sans préposition

Ik

heb

je

gezien

zondag.

 

 

  • de comparaison avec ALS / DAN

 

S’il s’agit d’un long complément : N+ : 3S

Hij

zal

zeker niet zo verstandig

zijn

als Jan.

 

 

zeker niet zo verstandig als Jan

zijn.

 

*Ze

heeft

zeker beter dan die jongen met wie ze bekeert,

gewerkt.

 

 

 

  • Eléments qui font partie d’un ‘constituant’ placé près du VR dans le 2S:

 

– proposition subordonnée relative : souvent dans le 3S :

 

Ik

heb

de redenen

gegeven

waarom ik niet wenste deel te nemen (meilleur)

 

 

de reden waarom … nemen

gegeven.

(moins bon)

 

– compl. déterminatif (avec prép.): s’il est long, dans le 3S.

 

Ik

zal

een verhaal van een echte prins

vertellen.

 

 

 

een verhaal

 

van een echte prins.

Ik

zal

jullie een verhaal

vertellen

van een echte prins die op een dag een rondreis in zijn hand begon.

 

– compl. précédé d’une conjonction de coordination

 

Ik

zal

jullie een verhaal van een prins

vertellen

EN van een mooie koningsdochter.

 

– appositions, précisions supplémentaires

 

Als het goed afloopt,

zal

ik je een mooi kado

geven,

een brommer b.v.

Hij

zag

zichzelf in de spiegel,

 

een lelijk mannetje.

6 UITLOOP

 

1 = Tous les éléments qui n’appartiennent pas à la phrase ou qui sont des répétitions de parties de phrase.

 

2 Deux cas

 

  • la personne à qui l’on s’adresse

 

 

Wil

je eens

komen,

// Jan ?

 

(= AANLOOP : Jan, _ _ _ _ ?)

 

 

  • répétitions

 

– propositions subordonnées :

 

Hij

droomt

ervan

ooit eens naar België te kunnen gaan (= compl. prépositionnel répété)

– dans la langue parlée:

 

Heb

je hem

gezien,

die vreemde kerel?

 

 

3 Construction de la proposition subordonnée

 

Propos. infinitive et autres propositions subordonnées

 

– propos. inf. : toujours TE + INF. (pas de PV ou de sujet)

 

Hij

heeft

haar

gevraagd

te komen.

Het

is

te laat

 

om naar de stgad te komen.

 

– autres subordonnées

 

Hij

zei:

 

 

“Het si tijd”. (discours direct)

De jjongen die morgen moet komen

is

ziek.

 

 

Vraag

 

 

 

of hij soms morgen komt.

 

 

Proposition infinitive

 

  1. a) ordre des parties de la proposition = celui du 2S

 

  1. b) TE + INFINITIF

 

1) Si plusieurs infinitifs : te + ces infinitifs :

Hij

is

veel te lui

 

om te gaan werken.

*om gaan te werken.

 

2) VR = inf. et participe passé: participe passé + TE + INF.

                                                   ou TE + INF. + participe passé

Hij

ging

 

weg

zonder één woord

           te hebben gezegd.

gezegd te hebben.

 

3) Particule séparable : possible: part. séparable + TE

Hij

doet

er beter aan,

 

een paar dagen weg te blijven.

 

 

 

 

om op tijd te kunnen terugkomen.

 

 

 

 

om op tijd terug te komen.

 

 

 

 

zonder het pak te hebben neergezet.

 

 

 

 

zonder het pak neergezet te hebben.

 

  1. c) TE + INFINITIF = partie d’une expression verbale

                                 ≠ proposition infinitive

 

1) ZIJN     + te + inf

 

VALLEN

Nu

is

die tentoonstelling in Antwerpen

te zien.

 

Twee weken lang

is

die tentoonstelling in Antwerpen te zien

geweest.

 

 

 

 

(*geweest

te zien)

Dat

zal

wel te betalen

zijn.

 

 

 

 

(*zijn

te betalen)

Er

valt

hier heel wat

te doen.

 

Er

zal

hier heel wat te doen

vallen.

 

 

2) Propositions subordonnées avec PV (cf rem.)

– le groupe verbal (cf rem.)

 

– place du sujet :

. toujours devant : !! construftions avec ER

. jamais avant le mot de liaison

 

Ik

vrees

 

 

dat er wel een caféhouder zal zijn.

Ik

weet

niet

 

als het komt.

Dat

is

de jongen

 

met wie ze praatte.

 

– place des autres parties (COD, COI, …) (cf 2S, 3S)

 

 

Constructions inhabituelles

 

  1. propositions subordonnées de qualité

 

Hij

doet

 

 

als was er geen vuiltje aan de lucht.

(= (als) of er … was)

*Als was er …,

doet

hij.

 

 

 

 

  1. b) phrases avec ‘nauwelijks … of …’

                          NEGATION … of …

 

  • 2 événements se succèdent imméditament l’un après l’autre:

 

Nauwelijks

waren

we thuis

 

of het begon hard te regenen.

(= We

waren

nauwelijks thuis

 

of …)

 

NB nauwelijks = pas (…, of …)

 

Ze

waren

niet thuis

 

of het begon te regenen.

Hij

was

nog geen half uur thuis

 

of hij …

Niet zodra

waren

we thuis

 

of het begon hard te regenen.

 

  • la proposition avec OF = +- proposition relative derrière une phrase négative

 

Er

was

niemand

 

of hij moest erom lachen.

 

 

 

 

(= ‘but’ (Engels))

 

  • Parfois: un compl. d’intensité après unne négation et zo

 

Geen mens

is

zo gevoelloos

 

of hij zal medelijden hebben.

(= Iemand is er gevoelig voor dat …)

 

 

 

 

 

  • proposition avec OF

 

Het

scheelt

niet veel

 

of de auto reed hem om;

Ik

weet

niet beter

 

of … (= Ik veronderstel dat …)

Ik

twijfel

er niet aan

 

of hij zal voor dit eksamen slagen.

 

 

 

 

of hij ervoor zal slagen.

(= Ik ben er zeker van …)

 

 

 

 

 

7 Constructions spéciales

 

1 Phrases avec la structure d’une subordonnée

 

= expriment une proportion (cf rem.)

HOE + comparatif + SOV, HOE + comparatif + SOV

                                             DES TE + comparatif + VSO

 

2 Propositions subordonnées sans 1S

 

  • subordonnée concessive / conditionnelle : VSO :

 

Wist ik het antwoord, ik

zou

het dadelijk

zeggen .

 

(= Als ik het antwoord wist,

zou

ik …)

 

 

Is die jas niet mooi, hij

is

toch wel warm.

 

 

(= Hoewel die jas niet mooi is,

is

hij …)

 

 

(= Die jas is wem mooi maar hij is …)

 

 

 

 

(OK)

 

 

 

 

Wist ik het antwoord, dan

zou

ik …

 

 

is die jas niet mooi, toch

is

hij …

 

 

*We blijven thuis,

regent het.

 

 

 

 

  • subordonnée concessive avec AL: AL + VSO (aussi dans le 3S) (cf rem.)

                                                                                 (= hoewel + SOV)

 

AL geeft ze honderd frank, ik

wil

er niet heen

gaan.

 

Ik

wil

er niet heen

gaan

AL geeft ze me honderd euro.

 

 

  • proposition concesive en deux parties

 

OF hij wil of niet, hij

zal

hij het

doen.

 

Hij

zal

het

doen

OF …

OF ze naar haar werk gaat of naar de receptie, ze

is …

 

 

 

 

4) proposition conccessive : mot interrogatif + … + OOK + …

WIE je OOK bent, je

moet

 

werken.

 

WAT je OOK doet,

 

 

 

 

WANNEER je OOK komt, je

bent

altijd welkom.

 

 

HOE LAAT het OOK zij,

 

 

 

 

MET WIE je OOK komt,

 

 

 

 

 

 

COMPLEMENTS PROVISOIRES

 

1 HET

maken     + HET  + ADJ            + (_) te + inf.     ( = propos. infin. ou subord. en F)

oordelen

vinden

 

Ik

oordeel

het noodzakelijk

 

centrale verwarming te voorzien.

 

 

 

 

dat je centrale verwarming voorziet.

Mijn werk

maakt

het mogelijk voor me

 

een nieuwe villa te bouwen.

Hij

vindt

het aangenaam

 

een flat aan de kust te hebben.

 

 

het aardig

 

dat je mooie plannen voor hem schildert.

 

2 ER + préposition

 

  1. avec certains V qui demandent une prép. Spécifique

 

Ze

slagen

erin

 

een flat met een prachtig gezicht te vinden.

Mijn schoonbroer

denkt

eraan

 

een bouwgrond in B. te kopen.

We

houden

ervan

 

de plannen van onze nieuwe villa te tekenen.

Veel mensen

rekenen

erop

 

dat de voorwaarden zeer gunstig zijn.

Hoe

is

hij ertoe

gekomen

voor dit eksamen te zakken?

De verkoper

zal

ervoor

zorgen

dat er niets in de flat ontbreekt.

Je

moet

er ook rekening mee

houden

dat er nog geen kasten indeze kamer zijn.

Het kind

verheugt

zich erover

 

de lift te nemen.

Ze

verlangen

ernaar

 

in hun ruime villa te kunnen verhuizen.

Ze

twijfelt

eraan

 

dat ze voldoende plaats voor haar boekenkast zal hebben.

Het kind

droomt

ervan

 

in en zonnig grasperk te kunnen spelen.

 

 

b Avec certains ADJ. + préposition spécifique

 

Hij

is

er dol op

 

aan sport te doen.

Deze student

is

er trots op

 

heel knap in wiskunde te zijn.

Ik

ben

ervan

overtuigd

dat het behang nieuw is.

Ik

ben

er blij over

 

een lid van die jeugdclub te worden.

Hij

is

er zeker van

 

dat de architecvt mooie plannen zal tekenen.

Translate »
Share This