Voorbeelden van typisch Belgische woorden

Claeys Herman J., Vlaams dialectenwoordenboek, Artus uitg. 2001

 

 

aanbollen

aanrijden, komen aangereden

ajuin

 

astridje

schuimpje (gebakje)

bibisjke

< Waals bîbisse = beestje, luis.  luis

Bierbeek

Zij komt van Bierbeek (gemeente in Vl.-Brabant). scherts: zij is dronken.

Blaasveld

Hij komt van Blaasveld. (dorp, germ. Willebroek, in de prov. Antwerpen) Hij is een blaaskaak.

bloempens

bloedworst

boef

< Waals bouf  gelijk spel

boks

broek

bol

snoepje, toffee, karamel

bollen

rijden (met een voertuig)

boma

oma

bompa

opa

Bottelare

(gemeente in oost-Vl.) Zijt ge van Bottelare? (afkeurend gezegd tegen iemand die zich bot gedraagt)

Bovekerke

(dorp, gem. Koekelare, in: West-Vl.) Il ga naar Boevekerke? Ik ga slapen (d.i. naar Boven)

brave zoon

spottende verbastering van Brabançonne. de Brabançonne

brol

rommel, rotzooi

brossen

< Waals spijbelen

brosser

spijbelaar

buis

afwijzing, onvoldoende voor een examen

buizen

laten zakken, een onvoledoende geven(voor een examen)

burre

waterput

caban

< Waals korte regenjas

Costa Terrassa

fictieve vakantiebewoning

dakschijter

(Ant.) stadsduif

decumul

< Waals cumulatiebeperking

dikkenek

dikdoener

doef

slag, dof, opdoffer

doktoorderij

overdreven doktersbezoek

donder

donderscherm: bliksemafleider

dood

Pietje de Dood: Magere Hein

draak

vlieger

drasj

regen, regenbui

drieëndertiger

bierglas van 33 cl

drin

erin (Maas)

duimspijker

purisme voor punaise

dzjek

spotnaam voor Engelsman

foert!

basta!, genoeg!; verrek! (bij tegenslag)

foor

kermis

fosfoor

fosfor

frak

overjas

fransen

bij het lopen de voeten buitenwaarts zetten

frituur

frietkraam

frisco

ijslollie (met chocoladecoating)

frou-frou

biscuit met crème au beurre

gajool

< Waals gayoûle vogelkooi; (scherts) huis, thus

gernaard, garnaard, garnaat

garnaal

get

beenkap

gozet

< Waals appelflap

Grimbergen

Hij komt van Grimbergen. Hij is humeurig. (woordspeling met grimmig)

Halen

(gem. in Limburg) Die komt van Halen. Die is een bedelaar. (met woordspeling op halen : krijgen)

halvereen, halvertwee, …

halfeen, halftwee, …

halkotje

< Waals halcotî slecht vakman, klungelaar

handjes

amandel- of chololadekoekjes in handvorm: Antwerpse handjes

Houtem

dorp, gem. Veurne Zij komt van Houtem. Zij is gierig. (met woordspeling op houd hem)

juujuuj

slappe koffie, flut

kabbardoeske, kabberdoesjke

bordeel; gemene kroeg (< F cabaret douze = kabaret twaalf, soort dobbelspel waarin dubbele zes een rol speelt,of: twaalfde, d.i. laatste categorie herbergen volgens een 19de-eeuws patenttarief)

kajieten

janken (van een hond)

kakkebonen

suikerbonen, suikeramandelen, doopsuiker

kakmadam

toiletjuffrouw

kannibaal

broodje tartaar

karikol

wijgaardslak, escargot

kawauw

(spotnaam voor) iemanddie Antwerps spreekt

kazavek

vrouwenjak met wijde mouwen

ket(je)

Brusselse straatjongen (< ‘geitje’, ‘bokje’, zoals Eng. kid, zelfde naam als kind)

ketten

(umlaut van kat) neuken

kickeren

tafelvoetbal spelen

kipkap

gehakt hoofdvlees, zure kop; gemaln kip

klakkaart

wentelteefje

klep

glas bier

koppel

paar, stel: een verliefd koppeltje: een verliefd stel

korteresse

tekort, gebrek (aan iets)

kouter

( < Oud-Fr. coulture) akker, bouwland

kristalleke

glas pils van de brouwerij Cristal te Alken

kuip

(Gent) stadscentrum; bachten de kupe: (letterlijk: achter de kuip) in de Westhoek

kwis-tax

< Belg.-Fr. cuisses-tax < cuisse = kuit: vierwielige huurfiets

maai

(Hasselt) knikker

maneblussers

spotnaam voor Mechelaars

maarbel

knikker

mastoesj

mesjogge

matant

tante (aanspreking)

menonkel

(aanspreking) oom

merveilleux

schuimpje, nonnenfortje (gebakje van schuimdeeg)

miljaar!

verdorie!

milledzju!

 

mobilhome

camper, motorhome (opm. Eng. mobile home : stacaravan)

moema

moeder, moe, mam

moesjiemasjie

(ongunstig) koopman

mok

gecaramesieerd koekje: Brugse mokken; stroopkoekje

muizestrontjes

chokoladehagelslag

mus

pik, penis

natie

veem

navorser

wetenschappelijk onderzoeker

negenmanneke

soort van kegelspel

negerzweet

(scherts) cola

negerintetten

negerzoen (eitwitsoes overdekt met chokolade)

nekker

watergeest

niknak

( < Eng. knick-knack = snuisterij) letterkoekje; klein rond kaakje (met suikertoefje)

nonk

oom (Haspengouw)

olee-olee zijn

aangeschoten zijn

pimpampoentje

onzeieveheersbeestje

pint

pilsje; glas bier

pintje

pilsje, glaasje bier

pistolet

kadetje, rond broodje

plaats

plein

pladijs

schol

plietsepletsen

in waterplassen lopen of springen

plisjeplasjen

plonzen, plisplassen, met water plassen

Poepkapelle

fictieve plaatsnaam (Bommelskonten, Nergenshuizen, Lutjebroek, Boerenkoolstronkeradeel)

pufke

boertje (w.e. baby): een pufke doen

rakel

hark

rein, reen

(D Rain) grens tussen twee akkers, akkergrens

rentetenten

zijn mening geven: hij hoeft hier niks te _.

ribbedebie

ervandoor

rienewiene

ruineus persoon

rieptje-raptje

gemeen volk

rietepetietjes

jeuk

riftje-raftje

schorem, geteisem

roef

plots

roef-roef

overhaast, vlueg en slordig

roekeloeren

roekoeën

roesoesoe

losbollige jongen of meisje

rollekabolle

rollebollend

rommelpot

brompot

ruischebuische

bruut

ruttetutten

tegenpruttelen

schapperen

ontkomen, ontsnappen

‘t Scheld

< d’ Scheld: door assimilatie

schoon

knap, aantrekkelijk, mooi: (van personen) een schoon meisje

Sinksen

< L cinquagesima dies: vijftigste dag: Pinksteren

Sinksenfoor

(Ant) Pinksterkermis

Sint-Niklaas

Sinterklaas

sivoeplè

dun sneetje brood (Mech.)

sjapperen

ontsnappen (aan onheil)

sjarel

‘ne vieze _: een rare vent

Sjekkamakka

naar _ vertrokken zijn: met de noorderzon vertrokken zijn (Ant)

sjoezels

borsten

sjoezels

Brussels alvleesklier, gerecht met kalfsvleesklieren: _ au madère

smos

(Ant) gevarieerdbroodjesbeleg (ham, kaas, saus, …)met sa, rookworsten mayonaise

smout(e)bol

oliebol (smout : reuzelvet (als broodsmeersel, als frituurvet))

snoefen

snuiven

spiete

spuit; inspuiting

spijs

moes, jam: appelspijs; taartenvulling; beslag, deeg

spitant

levendig

‘t stad

< de stad: door assimilatie (Brs, Ant)

stinkstok

sigaret

stoof

kachel, fornuis

stoof

stoofvlees

stoofkarbonnades

Vlaamse _: gerecht met gestoofde rundslapjes en bier

stoofvlees

hachee, hacheevlees

stoverij

gestoofde stukjes rundvlees, soort hachee

suikerbollekens

suikerbonen, suikeramandelen

suikerninkel

suikeroom

tachtig

< t- < hand (= 10 vingers): tachtig

in West- en Oost-Vl.: tfeertig, …; zestig (/z/ > /s/)), … < hant (: hand)

taalman

tolk, vertaler

tamboeren

herrie maken

tettagère

beha

tettekorf

korset (scherts)

tjes

< Waals: tièsse hoofd

tjiepen

tjilpen; piepen

toebak

 

tsjip tsjip tsjip en gedaan

klaarkomen en wegwezen (Ant)

tsjoek-tsjoek

(oorspr. oosterse tapijtenzwendelaar) (spotN; voor) tapijtventer; Turk; Marokkaan

tsjoek

vreemdeling met lichbruine huidskleur

tuit

schenkkan

tuitelen

zuipen (Maas)

Tutteren

(Ant) (fictieve plaatsnaam) Zij komt van Tuteren, dat ligt zeven uur boven Wutteren. Zij weet van toeten noch blazen.

verdutsen

duidelijk maken, verklaren, diets maken

vijfentwintiger

(Ant) bierglas van 25 cl

vogelkot

(Ant) flitskamera (voor radarcontroles)

voilà sè

alsjeblief; ziezo

Waal

de Walen: Wallonië: zij woont in de _; ik verhuis naar de _.

wipwap

dubbele weegschaal

Wouter

in: wilde _: onstuimig persoon; waaghals

zjat

koffiekopje

zjizjipkes

(< jujube: soort boombes) hoestbonbon, hoestdrop

zjwikzjwak

lang, mager persoon, lange slungel

zwikzwak

lange slungel

Zwitser

(Ant) zuurkous; zo zat als een _: zo dronken als een tol, als een kanon

Translate »
Share This